De meisjesnaam van mijn moeder was Egberdine van Hoepen, geboren te Vlissingen op 11 november 1895, als dochter van een loodsschipper in Rijksdienst.
 Moeder de Heus voor Bakkerij P.de Heus en Zoon
vergroot foto

Bakkerij de Heus

Piet de Heus
Kort voor de eerste wereldoorlog startte mijn opa, de bakkersknecht P. de Heus, een eigen bedrijf in de Kinkerstraat te Amsterdam. Zoon Pieter de Heus vervulde gedurende die oorlog zijn dienstplicht aan de grens en kwam na demobilisatie in de zaak, nu met de naam P. de Heus en Zoon.Mijn vader kreeg van opa de Heus een gedegen opleiding en werd een uitstekend vakman. Een broer van opa, Co de Heus, vestigde omstreeks diezelfde tijd een grote bakkerij in de Westerstraat in de Amsterdamse Jordaan.Een jongere broer van mijn vader, Henk de Heus, kreeg betrekkelijk snel de leiding in de Westerstraat omdat oom Co, die zwaar suikerziek was, niet meer in staat was om te werken en voortijdig stierf.
Mijn vader stond op doordeweekse dagen om half vijf op en op zaterdag om drie uur. Dit opstaan ging altijd zeer moeizaam, want vroeg naar bed gaan was er ook niet bij. De twee grote kolen-ovens moesten 'savonds voordat hij kon gaan slapen nog worden bewerkt, opdat ze niet zouden uitdoven. Een geluk (althans voor de bedrust van de bakkers) was in die tijd de wet die hen verbood om voor tien uur vers brood te verkopen. Mede door de economische crisis had dit tot gevolg dat er 'smorgens om acht uur al een lange rij klanten voor de deur stond die met graagte het "oude"brood van de vorige dag tegen een gereduceerde prijs (2 cent goedkoper) opkochten. Een heel vers wittebrood kostte 15 cent in de jaren '30. Met die 2 cent korting spaarde men per week weer aardig wat uit voor andere noodzakelijke dingen. Het loon van een vakbekwame broodbakker lag tussen de 20 en 25 gulden per week. Begonnen met een betrekkelijk kleine winkel, werd die omstreeks 1931/32 verbouwd tot een moderne, blauw betegelde fraaie ruimte met twee etalages; een voor gebak en een voor brood. Ook kwamen er draaiende fans aan het plafond en er kwam (als eerste in Amsterdam) een elektrische brood-snijmachine. Achter de winkel was een magazijn gesitueerd waar en deel van het brood, dat bestemd was voor de directe verkoop, werd opgeslagen. Daarna kwam de grote bakkerij met de twee ovens en z'n lange werktafels, de meelopslag, een tweede magazijn voor de uitbreng en tenslotte de zgn. karrenloods die uitkwam in de Borgerstraat. Hier stonden een tiental bakkerskarren en bakfietsen waarmee het brood bij verre -en vaak beter gesitueerde - klanten werd thuisbezorgd.
Mijn moeder hielp, naast de twee winkeljuffrouwen, op drukke dagen in de winkel. Als enig uitje ging ze dikwijls op donderdagmiddag met een vriendin naar de film in theater Tuschinski. Op een dag zag ze, per tram terugkerend van haar bioskoopje, tot haar schrik voor onze deur een volksoploop. Ze dacht in eerste instantie aan een ongeluk. Die oploop bleek te bestaan uit tientallen jonge meiden die, naar aanleiding van een kleine advertentie in De Telegraaf, kwamen solliciteren als dienstmeisje/kinderoppas. Moeder was de sollicitatiedatum, die ze eerder die week had opgegeven in de advertentie, totaal vergeten. Ze heeft de eerste de beste jongedame die naar boven kwam meteen maar aangenomen, en dat bleek later nog een goeie te zijn ook. Haar eerste opdracht was om de andere sollicitanten voor de deur mee te delen dat ze gelijk was aangenomen, en dat gaf een storm van ongeloof en verontwaardiging. Moeder moest eraan te pas komen om een en ander te bevestigen. Tenslotte droop de menigte, nog namorrend, schoorvoetend af.
De brood- en banketbakkerij had tenslotte 22 man personeel in dienst, en heeft bestaan tot 1935.
Verhalen van Vroeger is een initiatief van Stichting Tijdgeest