Hij bestaat echt!
(oorlogsverhaal uit 1943)

Wil van der Wal
Het was een koude novemberdag in 1943. Zo'n dag waarop de zon niet lijkt te bestaan. Alles is grijs.
Mijn vader en ik lopen op de Overijsselse Straatweg. We gaan melk halen in Goutum, een boerendorp dat vijf kilometer verderop ligt. Tweemaal per week komt mijn vader vroeg uit kantoor om melk te halen. Eerst ging hij op de fiets naar Goutum, maar omdat zijn fiets door de Duitsers gevorderd is, doet hij het nu lopend.
Bij de boeren van Goutum krijgt elke klant maar een fles melk. Daarom gaan mijn zusje Han en ik meestal mee: wij krijgen elk een halve fles. Omdat we drie kleine broertjes hebben is de melk die we op de melkbonnen krijgen, niet genoeg.
Vandaar deze melktochten.
Han is er vandaag niet bij. Ze moet huiswerk maken. Ze is tien jaar en ze zit in de vijfde klas. Ik ben acht en ik zit in de derde.
We komen bij de Mauer-muur, een versperring die door de Duitsers dwars op de weg is gemaakt met een smalle doorgang erin. Daar staat een Duitser met een geweer.
Mijn vader moet zijn persoonsbewijs laten zien. Dan lopen we verder en nemen de lange zijweg die naar Goutum gaat.
Het gaat steeds harder waaien.
Eindelijk zijn we bij boer van Wiengaerden. Daar staan veel meer mensen dan anders te wachten tot het melken is afgelopen. Wat een rij!
Mijn vader zegt:"Weet je wat Wil, ga jij vast naar boer Venema, anders is daar de melk uitverkocht". Ik krijg een lege melkfles en 20 cent mee. "Je weet hoe je moet lopen he?"
Ik ga op weg.
De huisjes in het dorp zijn allemaal verduisterd. Bij de kerk, die op een terp staat, staan hoge bomen te kreunen in de wind. Er is niemand op straat.
Ik loop het dorp uit naar de boerderij van Venema. Omdat de koeien op stal staan, worden de gemalen stilgelegd en zijn de weilanden veranderd in watervlakten. Het weggetje naar Venema is een heel smal paadje tussen al dat water.
Opeens blijf ik staan. Zie ik het goed?
Daar zit een hond op het weggetje. Ik ben heel bang voor honden.
De hond steekt zijn kop naar de lucht en huilt:"Awoe - oe - oe!"
Ik huil ook bijna als ik roep: "Ga weg, hond!"
De hond ziet mij en komt een paar passen naar me toe. Ik deins achteruit.
Ik zeg zachtjes:"Toe hondje, ga nou weg"
En weer jankt de hond:"Awoe-oe-oe!"
Ik bid hardop:"Lieve Heer, laat die hond weggaan, alsjeblieft Lieve Heer, laat die hond weggaan". Er gebeurt niks.
Weer laat de hond een jammerend 'Awoe-oe-oe' horen.
Verderop loopt een dijk en aan die dijk staan een paar donkere huisjes. Opeens klapt daar een deur open en er verschijnt een vrouw in de lichte opening. Ze roept:"To-o-ommy, kom dan!"
De hond springt op z'n vier poten, begint te blaffen en dan springt hij het water in en zwemt naar het huisje.
Hij is van de weg af! Ik kan doorlopen.
Ik ren naar het hoge bruggetje, maar daar blijf ik staan. Aan de andere kant van de brug
is de weg onder water verdwenen.
De boerderij van Venema is vlakbij. Ik besluit om maar heel voorzichtig verder te lopen.
Het water slaat af en toe over de bovenkant van mijn laarzen.
De boerderij ligt op een hoogte. Daar is het droog, maar het is er ook doodstil.
Ik doe de staldeur open. De warmte komt me tegemoet. Hier is ook niemand.
Maar dan hoor ik "Prsss. prss, prss". Er zit iemand te melken. Ik loop langs de rijen koeien en ja hoor, daar zit Tjerk, de zoon van moeke Venema. Hij kijkt op en vraagt iets in het Fries. Ik zeg dat ik melk kom halen.
Dan staat hij op en loopt naar de andere kant van de stal, doet een deur openen en roept:"Mem!".
Moeke Venema komt uit de keuken, ziet me staan en begint in rad Fries tegen me te praten. Ik versta haar niet.
Dan neemt ze me mee de keuken in, zet me op het aanrecht, trekt mijn jas, mijn laarzen en mijn sokken uit en vraagt of ik wat eten wil. Dat versta ik wel!
Ik krijg een pannenkoek en een beker warme melk. Ze giet mijn laarzen leeg en zet ze omgekeerd op de kachel. Ze loopt weg en komt met een paar droge sokken terug. Die trekt ze me aan.
Mijn fles wordt gevuld met melk.
Daarna gaat mijn jas weer aan en met wat moeite ook mijn natte laarzen.
Dan roept moeke Tjerk. Hij doet mij een paar rare zwarte dingen aan. dat blijken lieslaarzen te zijn.
Dan gaat hij op z'n hurken zitten en klopt op z'n schouder: ik moet op z'n rug gaan zitten! Wat raar! Ik word heel verlegen.
Hij pakt mijn melkfles en met z'n andere hand houdt hij mij vast. En zo loopt hij het erf af en door het water naar het bruggetje.
Daar zet hij me neer. "Voorzichtig hoor" zegt hij in z'n beste nederlands.
Ik vergeet hem te bedanken en loop op een drafje naar het dorp. Het is al bijna donker.
Vlakbij de kerk doemt een donkere schaduw op en mijn vaders stem roept: "Ben jij dat, Wil?" Gelukkig, ik ben veilig.
Onderweg naar huis vertel ik van mijn avontuur, maar ik zeg niet dat ik gebeden heb, want mijn vader gelooft niet in God.
En mijn zusje Han ook niet. We hebben vaak verschil van mening: ze is veel slimmer dan ik, dus meestal heeft ze gelijk. Maar deze keer niet. Hij bestaat echt!
Verhalen van Vroeger is een initiatief van Stichting Tijdgeest